Niet bepaald.

De kosmospiraat en Amilifanto
De nacht was reeds neergedaald. Op dit tijdstip krimpen de meeste mensen ineen tussen de muren van hun huizen om zich genadeloos over te geven aan de laatste uren van de dag. Ik voelde mij een gesmolten bliksemflits, beukte op de vele mensenblikken die naar me staarden, en had het gevoel dat ik geen schijn van kans had om morgen de zon te zien opkomen. Ik had mij ondertussen genesteld aan een vensterraam en keek er naar de knipperende lichten van een willekeurige straat terwijl ik de ene sigaret na de andere opstak, hierbij dacht ik aan het feit dat mijn leven verderging met gevoelens van schokkende tijdelijkheid. Gelukkig werd ik gewekt uit mijn troosteloze gedachten door een zatlap die met zware slagzij het café uitstrompelde om uitgeteld, met de fles tegen de boezem geklemd, zijn laatste tranen uit te zweten, in de goot. In mijn lichaam zat zoveel ijzer dat ik er een stang van kon maken om er iemand het hoofd mee in te slaan, ofschoon, ik hield mijn onverklaarbare razernij in toom en deed een poging om te genieten van de menselijkheid om mij heen.
Aan het vermolmde plafond van het café hing één naakte gloeilamp en in mijn schaduw kwam er een meisje naast me zitten. Ik maakte de inventaris op van haar lichaam. Haar benen leken als goud. Ik wou haar jurk optillen en er mijn hoofd onder steken, maar in plaats van mij aan mijn lustgevoelens over te geven, zei ik tegen haar terwijl ik de eerste trillingen van mijn stem gewaard werd, dat ik geen fatalist ben, maar een realist. ‘Wat is dat een fatalist?’ vroeg het meisje. Waarom moeten mooie meisjes altijd domme vragen stellen, vroeg ik me af. Ik had misschien toch beter mijn hoofd onder haar jurk gestopt, verstond het niet waarom ik het nodig achtte klanken uit mijn mond te toveren en gaf mij over als een blinde aan het donker. Ik besloot het simpel te houden, vertikte het om mijn diepste gedachten aan haar toe te vertrouwen, wou de weg van de krijger inslaan, trouw tot aan de dood. Ik had geen zin om rake klappen uit te delen, het meisje zag er niet uit als de generatie die behoorde tot het incasseren van slagen en wijselijk vroeg ik haar of ze de mop kende van die Pool die naar het schijthuis ging? ‘Ja die ken ik, stomme mop.’
Tot mijn verbazing vond het meisje de mop die het fundament was van mijn bestaan, slecht. Als een samoerai die zijn handen stevig rond zijn zwaard geklemd houdt, balde ik mijn vuisten, met de bedoeling mezelf te demoniseren. ‘Waarom bal je je vuisten?’ vroeg het meisje me, terwijl ze met haar tong over haar lippen gleed. Ik keek haar aan als een dorstige hond en besefte, dat het een excentriek figuurtje was. Ik besloot mij kalm te houden, maakte mij als een leeuw geen zorgen over de luizen in zijn pels, en bestelde nog een derde biertje. Ik besefte dat het niet mijn laatste biertje zou worden. Op sommige dagen drink je meer dan je gewend bent. Ik begon mij thuis te voelen in Langepootmüggenstad en mijn tong kwam langzaam los. Ik beantwoorde haar vraag. ‘Waarom ik mijn vuisten bal?’ ‘Ja, waarom in hemelsnaam bal je je vuisten?’ ‘Omdat ik soms tomeloos gewelddadig word dat je maar beter niet binnen knuppelafstand van mijn kunt zitten. Het heeft allemaal te maken met een enzym dat ervoor zorgt dat ik soms zin heb om een gans leger plat te slaan.
Mijn dokter zegt dat het een soort van syndroom is.’ Terwijl ik dit opbiechtte, voelde ik mij gelukkig en bedroefd tegelijkertijd. In mijn stem klonk een soort van weemoed die met geen andere weemoed vergelijkbaar was. Plots zei het meisje iets tegen me dat me enigszins tot nadenken stemde. ‘Weet je wat jij bent?’ ‘Ik zou het niet weten. Een doelloos wezen op zoek naar nog meer doelloosheid,’ antwoordde ik simpel, doch beredeneerd. ‘Een kosmospiraat.’ ‘Een kosmospiraat?’ vroeg ik verdwaasd, daar ik ondertussen al zeven biertjes binnen had. Ik had het gevoel dat ik kopje onder ging in een duister vagelijk vertrouwd meer, waar ik in nachtmerries meermaals in verdronken was. Hoe krijg ik de situatie onder controle, dacht ik, voelde mij omringd door geestesverschijningen, die als ik eraan toegaf ondraaglijk zouden toenemen. Ik voelde een soort van pijn, maar besefte dat de pijn er niet toe deed, toch had ik zin om een ambulance op te bellen die mij naar mijn graf moest rijden. ‘Een kosmospiraat,’ zei ik totaal van de kaart.
‘Precies een kosmospiraat, maar nu moet ik je verlaten.’ Ik vond dat normaal, elk meisje had immers besloten van mij te verlaten, het zou in Langepootmüggenstad net zo zijn. Ik ben iemand die zich aan het verlaten heeft aangepast. Toch wou ik haar naam weten, daar ik een naam zeer belangrijk vind in een mensenleven. ‘Daar houd ik mij niet mee bezig en bovendien doet dat er niet toe, je zou toch maar je hoofd willen begraven onder mijn rok als ik je zeg hoe ik heet,’ wist het meisje me te vertellen. Ze had een mooie stem en werd er een tikkeltje opgewonden van. ‘Dat is niet waar, dat is misbruik maken van de situatie,’ zei ik en besefte dat ze gelijk had. Toch bleef ik aandringen tot ik vond wat ik wou en had het gevoel dat ik nogal te keer ging. ‘Komaan, hoe heet je,’ drong ik voor de tweede keer aan. ‘Wil je het echt weten?’ ‘En of dat ik het wil weten.’ ‘Nou, in theorie ben ik een man en mijn mannelijk naam is Amilifanto.’
‘Een man godbetert. In theorie dan nog. Dus je hebt je laten ombouwen, laten transformeren zoals jan modaal weleens placht te zeggen,’ vroeg ik buitengewoon geïnteresseerd. ‘Niet bepaald,’ zei het meisje die duidelijk andere dingen aan haar hoofd had. ‘Niet bepaald …’ zei ik en het leek wel of ik schreeuwde, huilde en vloekte tegelijkertijd. Ik werd overmand door een gevoel, dat de wereld mijn persoonlijk slagveld was. Toch ging het mooie meisje haar gang alsof alles niets betekent en eigenlijk kon ik mij daar best mee verzoenen. Ze zei: ‘Ik ben een man die gevangen zit in een vrouwenlichaam en jij bent een kosmospiraat.’ Amilifanto stond op van haar stoel, gaf mij een kus op mijn linkermondhoek en dartelde weg als een vlinder die vluchtiger dan de spin wou verdwijnen in een perk van schoonheid. Verstomd stond ik als aan de grond genageld en bestelde mij nog een biertje, voelde mij ronddrijven in de murmelende vibraties van het universum, dronk het biertje in een recordtempo leeg met de bedoeling te verdwijnen van deze planeet. Ik besloot Amilifanto achterna te rennen en me te laten leiden door het toeval.
Share/Save
Anonymous users will be subscribed with the selected preferred language. They will receive newsletters in this language if available. Registered users will be subscribed with their preferred language as set on their account page.

Een avond als geen ander in een gents café sprak een aanhanger van de Maya ideologie tot mij. Hij las mijn persoonlijkheid in het Maya wiel en gaf me een naam.

Reageer...Beste hemelzwendelaar, staan er nog meer wijsheden in het Mayawiel?

Nieuwe reactie inzenden

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.